Als God wit wordt, verliest de mens zijn gezicht
Op 1 juli herdenken we het slavernijverleden. We leggen kransen, spreken gebeden uit, zingen liederen en zeggen dat ieder mens geschapen is naar Gods beeld. Maar precies daar begint de ongemakkelijke vraag: durven kerken ook te erkennen dat zij eeuwenlang hebben meegeholpen om dat beeld van God in mensen te beschadigen?
De Raad van Kerken riep op om op de zondag voorafgaande aan 1 juli in de dienst aandacht te schenken aan Keti Koti, met als thema: ‘Elkaar ontmoeten als eenheid in verscheidenheid’. Een zin om te koesteren. Maar ook een zin die gevaarlijk vrijblijvend kan worden als we haar te snel uitspreken.
Want wat betekent eenheid, als de één eeuwenlang de ander ketende? Wat betekent verscheidenheid, als verschillen werden gebruikt om mensen te rangschikken, te bezitten en te breken? Kerken kunnen niet volstaan met warme woorden over gelijkwaardigheid zolang zij niet onder ogen zien dat predikanten slaveneigenaren waren, dat vanaf preekstoelen slavernij werd gelegitimeerd en dat Afrikaanse spiritualiteit werd verboden. Slaafgemaakten werden beroofd van hun familie, hun geschiedenis, hun zeggenschap over hun lichaam en hun rijkdom. Zij waren bezit, maar mochten zelf niets bezitten.
Het ongemak zit diep. In een wereld die draaide om handel en rijkdom werden zwarte lichamen economische objecten. Racisme leverde de rechtvaardiging. Witte Europeanen plaatsten zichzelf boven zwarte Afrikanen en noemden dat orde, beschaving of zelfs Gods bedoeling. Zo werd de mens als beeld van God een wapen. God werd wit voorgesteld, en wie wit was, kon zich gemakkelijk meester wanen.
Anton de Kom doorzag dat genadeloos. Hij schreef hoe men durfde te zeggen dat de zwarte mens geen mens was, omdat de mens naar Gods beeld geschapen zou zijn en God volgens deze Schriftgeleerden niet zwart kon zijn. Dat is geen detail uit een donker verleden. Het is een spiegel. Want zodra God op ons begint te lijken, gaan wij al snel geloven dat wij namens God mogen heersen over anderen.
Ook de kerkelijke praktijk spreekt boekdelen. In koloniale gebieden werd zending onder slaafgemaakten lange tijd tegengehouden, onder meer omdat gedoopte broeders en zusters moeilijk nog als bezit konden gelden. Pas toen de slavenhandel onder druk kwam te staan en er meer vrije zwarte mensen kwamen, werd de doop gestimuleerd — maar dan wel als instrument van controle en ‘beschaving’. Zelfs het sacrament werd zo gevangen in de logica van macht.
Daarom zijn excuses belangrijk, maar nooit genoeg. Excuses zonder herstel zijn rituelen zonder consequentie. Als kerken spreken over genezing, dan moet dat zichtbaar worden: in herwaardering van zwarte theologie, spiritualiteit en liturgie; in dekolonisatie van kerkstructuren en leiderschap; in concrete diaconale fondsen en projecten voor nazaten van slaafgemaakten. Waar waarheid, macht en rijkdom ooit werden afgenomen, moeten juist daar stappen naar herstel worden gezet.
En wie denkt dat dit alleen over toen gaat, hoeft slechts naar nu te kijken. Moderne slavernij zit verstopt in kledingkasten, telefoons, huishoudens, landbouwketens en onze comfortabele vanzelfsprekendheden. De vraag is niet alleen wat onze voorouders deden, maar ook wie vandaag de prijs betaalt voor onze goedkope luxe.
Misschien begint echte herdenking pas wanneer we ophouden slavernij te behandelen als afgesloten hoofdstuk en haar herkennen als een wond die nog steeds doorwerkt. Niemand is vrij totdat iedereen vrij is. Dat klinkt als een leus. In werkelijkheid is het een opdracht.
ds.Gerrit Olsman