Als kinderen dossiers worden
Soms toont een politieke partij haar ware kompas niet in haar programma, maar op het moment waarop zij wordt getest. Voor het CDA is dat moment het kerkasiel in Kampen. Henri Bontenbal spreekt waarderend over barmhartigheid, erkent de bewogenheid van christenen en noemt de zaak ingewikkeld. Maar zodra barmhartigheid politieke moed vraagt, verschuilt hij zich achter procedure en bestuurlijke afspraak. Dan wordt de naaste niet geholpen, maar uitgelegd waarom hij formeel geen naaste kan zijn.
In Kampen houdt een kerk al bijna zeshonderd dagen een onafgebroken dienst gaande om de familie Babayants te beschermen tegen uitzetting. Geen juridische truc, maar liturgie als laatste verdedigingslinie: gebed, gezang en aanwezigheid waar de politiek afwezig blijft. De kerk maakt daarmee zichtbaar wat beleid onzichtbaar maakt. Vier kinderen, hier opgegroeid, spreken onze taal, gaan naar onze scholen en hebben hun toekomst hier leren denken. Zij zijn geen bijlage bij het dossier van hun ouders. Zij zijn kinderen, mensen met een eigen waardigheid. Juist daarom schuurt voor mij Bontenbals redenering met de ziel van de christendemocratie. Het CDA spreekt graag over publieke gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. Maar publieke gerechtigheid is meer dan ordelijk bestuur. Zij vraagt dat de overheid concrete mensen tot hun recht laat komen, juist wanneer systemen blind worden.
Bontenbals argument klinkt redelijk: besluiten moeten worden uitgevoerd, ouders mogen niet worden beloond, een pardon geeft verkeerde prikkels. Maar kinderen verantwoordelijk houden voor het handelen van hun ouders is geen gerechtigheid. Het is erfzonde in beleidsproza. Het Evangelie vertelt juist dat mensen niet gevangen mogen blijven in schuld die hun wordt toegerekend zonder dat zij haar dragen. Natuurlijk moet een overheid grenzen stellen. Christendemocratie is geen grenzeloos sentiment. Maar zij is evenmin kille regelzucht met een kruisje op de revers. Tussen wetteloosheid en hardvochtigheid ligt de menselijke maat. Daar klinkt de Bijbelse vraag: wat gebeurt er met de wees, de vreemdeling, het kind zonder macht?
Daarom vind ik het wrang dat Bontenbal barmhartigheid en rechtvaardigheid zegt te verbinden, maar ze feitelijk uit elkaar trekt. Barmhartigheid mag vrijwilligers inspireren, kerkmensen ontroeren en kaartenacties vullen. Maar zodra de kerk haar roeping serieus neemt en de macht aanspreekt, heet zij ineens druk op het systeem. Dan wordt barmhartigheid gedegradeerd tot particulier gevoel, terwijl zij in de christendemocratische traditie publieke betekenis heeft.
De hoogste bestuursrechter heeft bovendien duidelijk gemaakt dat het belang van langdurig in Nederland verblijvende kinderen zwaar moet wegen. Dat is geen sentiment tegenover recht, maar een herinnering aan waar recht voor bedoeld is. Recht zonder barmhartigheid wordt bureaucratie; barmhartigheid zonder recht wordt willekeur. Een overheid die kinderen laat verdwijnen achter ouderlijk gedrag, raakt beide kwijt. Precies daarom doet de kerk in Kampen ertoe. Zij neemt niet de stoel van de rechter over en schrijft geen migratiebeleid. Zij doet iets ouderwets christelijks: schuilplaats bieden, namen noemen, de macht herinneren aan gerechtigheid. Wie christendemocratisch denkt, zou zo’n kerk niet moeten zien als hinderlijke druk, maar als maatschappelijk geweten.
Solidariteit is geen medelijden op afstand. Zij vraagt dat wie weinig macht heeft niet wordt opgeofferd aan bestuurlijke netheid. Een kind dat hier leert fietsen, rekent in onze klaslokalen en thuis raakt op onze schoolpleinen, is niet slechts een juridische afgeleide van ouderlijk falen. Wie dat wegschuift, maakt van kinderen beleidsinstrumenten. Ook rentmeesterschap gaat hierover. Een overheid die kinderen jarenlang laat wortelen en daarna zegt dat hun wortels bestuurlijk niet tellen, breekt af wat gemeenschap heeft opgebouwd: taal, vriendschap, vertrouwen, school, thuisgevoel. Dat is geen verantwoord bestuur.
Het kerkasiel is daarom geen romantische actie, maar een profetische onderbreking. De kerk zegt niet: wij staan boven de wet. Zij zegt: houd de wet opnieuw in het licht van menswaardigheid, geweten en genade. Zij geeft de vraag van de barmhartige Samaritaan terug aan de politiek: wie is hier de naaste, en wie loopt door? Bontenbal kiest voor het nette nee: juridisch ingepakt, theologisch arm. En juist daarom deugt zijn stellingname mijns inziens niet. Niet omdat grenzen onbelangrijk zijn of procedures er niet toe doen, maar omdat christendemocratische politiek begint bij menselijke waardigheid en solidariteit die iets kost. In Kampen luiden de kerkklokken niet tegen de rechtsstaat, maar vóór haar beste belofte: dat ieder kind méér is dan een dossier.
ds.Gerrit Olsman