Skip to content

Tegen de stilstand

Iemand vertelde me over z’n verlangen om weg te lopen. Niet symbolisch, niet als modieuze metafoor, maar echt: de deur achter je dichttrekken, telefoon uit, agenda leeg. Niet per se omdat zijn leven zo rampzalig was, maar omdat hij het gevoel had dat zijn ordelijk bestaan ongemerkt aan het dichtslibben was. Dat hij bleef functioneren terwijl er vanbinnen allang iets was vastgelopen.

Niet de grote instorting, maar het zachte verstikken. Iemand gaat door, doet wat er verwacht wordt, vervult zijn rol — en ondertussen knaagt de vraag: moet dit het dan zijn? Hoe lang valt nog vol te houden dat overleven hetzelfde is als leven? 

Misschien is dat precies waarom de bijbelse figuur Nicodemus zo fascineert. Geen mislukkeling, geen randfiguur, geen spirituele beginner. Een geslaagde man. Iemand met status, kennis, gezag. En toch gaat hij ’s nachts op pad, omdat succes blijkbaar geen antwoord geeft op de vraag hoe je werkelijk leeft. Dat vind ik het ontregelende aan het verhaal in het evangelie van Johannes: zelfs wie het gemaakt heeft, kan diep vanbinnen weten dat hij iets wezenlijks mist. 

We zijn in onze cultuur geobsedeerd door eindes: door verlies, verval, crisis, dood. Alsof volwassenheid vooral betekent dat je je illusies moet afleren. Maar wat als de kern van mens-zijn niet ligt in aftakeling, maar in geboorte? In het vermogen opnieuw te beginnen? Dat is geen zoete onschuld, maar een radicale gedachte. Want opnieuw geboren worden betekent niet terug naar vroeger. Het betekent dat je weigert je te laten gijzelen door wie je tot nu toe geweest bent. 

Nicodemus begrijpt het niet. Wie eenmaal stevig verankerd is in reputatie, gelijk en gewoonte, laat zich niet makkelijk opnieuw geboren worden. We zijn gehecht aan onze patronen, zelfs als ze ons klein houden. Liever het bekende ongemak dan de onvoorspelbaarheid van echte verandering. 

Daar wringt het voor mij ook in de kerk. We praten graag over bezieling, maar zodra die bezieling politieke of maatschappelijke consequenties krijgt, deinzen we terug. Dan heet het ineens: voorzichtig, verbindend blijven, niemand afschrikken. Alsof het evangelie bedoeld is om de temperatuur aangenaam te houden. Alsof geloof er vooral is om de boel niet te laten escaleren. 

Voor mij is opnieuw geboren worden dan ook geen vrome term voor een innerlijk gevoel. Het is een praktijk van loskomen uit angst. Van niet langer alleen denken in behoud, draagvlak, procedures en begrotingen. Van durven spreken wanneer zwijgen comfortabeler is. Van je geloof niet opsluiten in de privésfeer, maar het laten schuren aan de werkelijkheid. 

Want laten we eerlijk zijn: een kerk die vooral bang is leden te verliezen, is al iets veel ergers kwijtgeraakt — haar ziel. Als we zelfs bij openlijk onrecht, ontmenselijking en geweld nog eerst rekenen wat een uitgesproken standpunt ons kost, dan zijn we niet voorzichtig, maar laf. Dan noemen we angst wijsheid en stilstand vrede. 

Ik denk dat dat is wat het verhaal van Nicodemus vandaag nog steeds blootlegt: niet hoe je brave gelovige antwoorden formuleert, maar of je bereid bent je leven open te breken. Of je jezelf nog laat veranderen. Of je nog durft te leven vanuit een bron die groter is dan je eigen gelijk, je eigen kring en je eigen comfort. Misschien hoef je dan niet letterlijk weg te lopen. Misschien is de scherpste vlucht juist deze: dat je weigert nog langer braaf mee te draaien in wat leeg is geworden. Dat je je laat roepen tot meer moed en meer leven. Niet morgen. Niet als alles veilig voelt. Maar nu.
ds. Gerrit Olsman