Skip to content

Voor wie staat de kerk open?

Minister Mirjam Sterk zette vorige week, bij de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit, de deur naar een goed gesprek open — en trok die meteen weer half dicht. Want wie zegt dat kerken uit de zorg zijn verdwenen, ziet gemakkelijk voorbij aan voedselprojecten, maatjesprogramma’s, rouwgroepen en buurtcafés waar vrijwilligers koffie schenken, maaltijden koken en mensen bezoeken die anders buiten beeld blijven.

Sterk heeft gelijk dat de verzorgingsstaat kraakt. Professionele zorg is schaars, mantelzorgers raken uitgeput en eenzaamheid laat zich niet behandelen met een indicatieformulier. Ook haar oproep om begrippen als barmhartigheid, gemeenschap en gerechtigheid opnieuw inhoud te geven, verdient instemming. De kerk bezit iets wat geen loket kan organiseren: een plek waar iemand niet eerst patiënt, cliënt of doelgroep hoeft te worden. 
Maar precies daarom schuurt haar boodschap. Gemeenschap mag nooit de goedkope achterkant worden van een terugtrekkende overheid. We hebben elkaar niet nodig omdat de professionele zorg het niet meer aankan; we hebben elkaar nodig omdat niemand gemaakt is om het leven alleen te dragen. Zodra ‘samenredzaamheid’ vooral een bezuinigingswoord wordt, verandert naastenliefde in een sluitpost. 
Toch mogen kerken zich niet verschuilen achter alles wat al goed gaat. Volgens CBS-cijfers doet 51 procent van de kerkelijk of levensbeschouwelijk betrokken mensen vrijwilligerswerk, tegenover 45 procent van de mensen zonder religieuze binding. Dat verschil is betekenisvol, maar geen vrijbrief voor zelfgenoegzaamheid. Want veel kerkelijk werk bereikt vooral mensen die de taal en gebruiken van de kerk al kennen en de weg naar binnen weten. De kernvraag is daarom niet hoeveel kerken doen, maar voor wie zij werkelijk een gemeenschap zijn. 
Is er ook plaats voor de niet-gelovige buurvrouw, de vader die met zijn kind vastloopt, de jongere die nergens aansluiting vindt of de weduwnaar die nooit uit zichzelf naar een kerkelijke rouwgroep gaat? Als kerken deze mensen pas ontmoeten wanneer ze cliënt van een professional worden, zijn ze vaak te laat. De uitdaging is dus niet om nóg harder te zorgen, maar om eerder en dichterbij aanwezig te zijn. 
Daarvoor moeten kerken naar buiten. Niet door mensen naar een programma te lokken, maar door aanwezig te zijn waar het gewone leven zich afspeelt. Een buurtcafé, bibliotheek, schoolplein kan zo’n plek zijn: geen verkapte kerkzaal of zorginstelling, maar een publieke ruimte voor verhalen, muziek, maaltijden, verlies en levensvragen — zonder toelatingseis en zonder een vooraf bepaalde uitkomst.

Ook de overheid heeft daarbij huiswerk. Wie religieuze gemeenschappen om maatschappelijke inzet vraagt, kan hen niet tegelijk wantrouwig buiten de deur houden wanneer ze een gebouw zoeken of aan een lokaal project willen deelnemen. Bovendien hoeft dit gesprek niet alleen over kerken te gaan. Ook moskeeën en andere levensbeschouwelijke gemeenschappen beschikken over sociale netwerken die de overheid niet eenvoudig kan scheppen. 
Sterks uitspraak was bot, maar niet nutteloos. Haar verwijt miskent wat talloze vrijwilligers al doen; haar vraag blijft terecht. De kerk hoeft geen reservepotje van de verzorgingsstaat te worden, maar moet zich wel afvragen of haar deuren werkelijk openstaan voor mensen die nooit op het idee zouden komen aan te bellen.

Misschien begint een zorgzame samenleving niet waar burgers de gaten van de overheid vullen, maar waar mensen elkaar ontmoeten voordat er een probleem moet worden opgelost. De kerk heeft daarvoor veel in huis. Maar dan moet ze wel naar buiten treden.
ds. Gerrit Olsman